Rapportage voor het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek met ‘Een verkenning van de kennisinfrastructuur onderwijsinnovaties in het Nederlandse hoger onderwijs’.

Dit rapport bevat een weergave van een verkenning van de kennisinfrastructuur in het Nederlandse hoger onderwijs op het gebied van onderwijsinnovaties. Onderwijsinnovaties vinden op grote schaal plaats en het wordt van groot belang geacht dat de kennis en ervaring over onderwijsinnovaties worden gedeeld.

Leren van elkaar en evidence-based innoveren kunnen alleen plaatsvinden als bestaande kennis wordt verspreid en gebruikt. Er is echter weinig inzicht in de huidige staat van de kennisinfrastructuur op het gebied van onderwijsinnovaties. Met deze verkenning probeert het CHEPS dit inzicht te vergroten.

 

Onderwijsvernieuwingen

Het bevorderen van onderwijsvernieuwingen is een van de prioriteiten voor de ontwikkeling van het Nederlandse hoger onderwijs. Gezien het belang van onderwijsvernieuwingen en de onoverzichtelijkheid van de ontwikkeling en verspreiding van ervaringen met onderwijsvernieuwingen is het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS) door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) gevraagd een verkenning te maken van de kennisinfrastructuur rond onderwijsinnovaties in het Nederlandse hoger onderwijs.

 

Vier vragen en antwoorden

Een kennisinfrastructuur richt zich op de vormgeving voor de borging, ontwikkeling en toegang
van kennis over een bepaald onderwerp. Het gaat om samenwerking tussen actoren, gericht op
kennisontwikkeling en -overdracht in interactie tussen onderzoek, beleid en praktijk. In het kader van deze verkenning heeft het CHEPSj vier vragen opgesteld, waarvan zij de antwoorden hieronder samenvatten. Data is verzameld via een combinatie van onderzoeksmethoden: desk research, digitale vragenlijsten en interviews (deels focusgroepgesprekken).

A.) Welke kennisinfrastructuur bestaat er reeds om de kennis en ervaringen uit onderzoek en onderwijsinnovaties met betrekking tot hoger onderwijs te delen?

In hun verkenning onderscheiden zij kennisbronnen en uitwisselingsplatforms. Kennisbronnen
omvatten:

  1. vakgroepen en lectoraten die zich bezighouden met onderzoek naar onderwijsinnovaties;
  2. innovatieprojecten die zich richten op ontwikkeling van onderwijsinnovaties; en
  3. fondsen die onderzoek en ontwikkeling mogelijk maken.

Uitwisselingsplatforms zijn verenigingen, organisaties, netwerken, databases, portals, conferenties, studiereizen, en onderwijskundige diensten. Het CHEPS concludeert dat er op dit moment weinig Nederlandstalige uitwisselingsplatforms bestaan uitstijgend boven afzonderlijke hogeronderwijsinstellingen. Wel hebben hogeronderwijsinstellingen – zeker de grotere – onderwijskundige diensten die doorgaans een brugfunctie vervullen tussen (onderzoek van) onderwijsinnovaties en onderwijspraktijk.

Hogeronderwijsinstellingen lijken bovendien steeds meer de groepen die zich bezighouden met ontwikkeling, onderzoek, advisering en verspreiding van onderwijsinnovaties samen te brengen in overkoepelende structuren.

B.) Hoe wordt de bestaande kennisinfrastructuur voor het delen van kennis en ervaringen uit onderzoek en onderwijsinnovaties met betrekking tot hoger onderwijs momenteel gebruikt?

Onderzoekers, ontwikkelaars en onderwijskundige diensten gebruiken vooral netwerken, conferenties en websites om informatie over onderwijsinnovaties te verspreiden of te vergaren. Dezelfde platforms worden door ontwikkelaars gebruikt om feedback over het gebruik van onderwijsinnovaties te verkrijgen.

Docenten (vooral die in andere instellingen) zijn volgens onderzoekers en ontwikkelaars minder op de hoogte van onderwijsinnovaties dan beleidsmakers van de eigen instelling. Dit heeft gevolgen voor het gebruik van onderwijsinnovaties. Uitkomsten van (onderzoek naar) innovaties blijven vaak binnen de eigen instelling.

C.) Welke knelpunten en wensen leven er in het veld ten aanzien van kennisdeling over
onderwijsinnovaties?

Op basis van de verzamelende informatie uit de verschillende onderzoeksmethoden zijn zeven knelpunten en wensen geïdentificeerd. De deels samenhangende knelpunten en wensen zijn:

  • Nationale samenwerking om versplintering tegen te gaan: samenhang tussen onderwijsinnovatieinitiatieven (onderzoek, ontwikkeling, verspreiding) is vaak gebrekkig;
  • Meer samenwerking binnen de instelling: interactie tussen docenten onderling, docenten en
    adviseurs, en adviseurs en bestuurders;
  • Tekortschietende middelen: Meer of ruimere subsidiemogelijkheden (en informatie hierover) voor het ontwikkelen, uitvoeren en doorgeven van onderwijsinnovaties wordt als wenselijk ervaren. Werkdruk (tijdgebrek) is een barrière om onderwijsvernieuwingen te ontwikkelen, onderzoeken, door te voeren en kennis hierover te delen;
  • Afbakening en creëren van duidelijkheid: de omvattendheid van het begrip ‘onderwijsinnovatie’ komt een gerichte kennisuitwisseling niet ten goede;
  • Rapporteren van praktijkervaringen: het is wenselijk om onderzoeken naar onderwijsinnovaties (op een voor geschoolde leken leesbare manier) te vertalen naar de praktijk, inclusief lessen over ontwerp- en implementatieprocessen;
  • Institutionalisering van onderwijsinnovaties: voor het beklijven van onderwijsinnovaties is een
    goede balans tussen enerzijds sturing en anderzijds ruimte voor werkvloer-initiatieven wenselijk;
  • Waardering van onderwijsinnovaties: een klimaat waarin ruimte is voor onderwijsvernieuwing en waarin onderwijsprestaties worden gewaardeerd, vraagt om een omslag in structuur en cultuur.

D.) Hoe zou de kennisinfrastructuur voor het delen van kennis en ervaringen uit onderzoek en
onderwijsinnovaties met betrekking tot hoger onderwijs eruit kunnen zien om de effectiviteit ervan in de komende jaren te vergroten?

Het wegnemen van de knelpunten en gehoor geven aan de wensen vereist een bijdrage van vele betrokkenen: het Ministerie van OCW, nationale organisaties (zoals SURF, Vereniging Hogescholen, VSNU en NRO) en hogeronderwijsinstellingen zelf. In onze aanbevelingen richten wij ons echter specifiek tot het NRO.

De vier onderstaande aanbevelingen zijn gerelateerd aan de eerste vijf knelpunten en wensen:

  • Het NRO kan bijdragen aan het verbeteren van de kennisinfrastructuur door een landelijk platform op te richten door middel van een website en door het samenbrengen van netwerken, mogelijk gebaseerd op diverse thema’s die spelen op het gebied van onderwijsinnovatie;
  • Om de kennisinfrastructuur te verbeteren kan het NRO bezien of het beschikbaar stellen van meer subsidiemogelijkheden een optie is en informatieverstrekking over bestaande subsidies uitbreiden;
  • Het duiden van het begrip ‘onderwijsinnovatie’ en bijbehorende thema’s vraagt om sturing. NRO zou een landelijke discussie hierover kunnen starten, mede om een landelijke onderzoeks- en ontwikkelagenda voor onderwijsinnovatie te creëren;
  • Als subsidieverstrekker kan het NRO – voor zover dit nog niet gebeurt – condities creëren die
    bijdragen aan de vertaling van onderwijsonderzoek naar de praktijk, alsmede naar toegang tot de onderzoeksresultaten.

Dit rapport is opgesteld door het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS) in opdracht van Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Je kunt het hier downloaden.

Posted by Redactie