Kwaliteit en kwantiteit lerarencorps

Het kabinet Rutte II besloot in haar kabinetsperiode om in de periode 2013-2016 eenmalig 100 miljoen euro extra uit te geven om de kwaliteit en kwantiteit van het lerarencorps te verbeteren, met name voor tekortvakken. Op verzoek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geeft deze notitie een overkoepelend beeld van de effecten van deze impuls, de ‘impuls leraren tekortvakken’.

Onvervulde vraag naar leraren in het primair en voortgezet onderwijs

In de huidige prognose van CentERdata is het tekort aan leraren in het primair onderwijs (po) 7200 fte in 2025 en in het voortgezet onderwijs (vo) 905 fte in 2025 (Adriaens et al., 2017). Zowel in het po als het vo is er sprake van dalende leerlingaantallen en een uitstroom van leraren die de instroom overtreft. Er zijn flinke regionale verschillen in de omvang van de voorspelde tekorten.

 

Aangrijpingspunten om het lerarentekort te verkleinen

Er zijn verschillende aangrijpingspunten om het lerarencorps uit te breiden:

  1. de aanwas van nieuwe leraren verhogen;
  2. mensen met een lesbevoegdheid die op dit moment niet voor de klas staan (de stille reserve) enthousiasmeren om weer voor de klas te gaan staan;
  3. leraren die in deeltijd werken stimuleren meer uren te werken (de deeltijd reserve); en
  4. de uitstroom van bestaande leraren en afgestudeerden aan de lerarenopleidingen naar andere sectoren dan het onderwijs verkleinen.

De impuls leraren tekortvakken

Met een bedrag van 100 miljoen euro voor de periode 2013-2016, beoogde de impuls leraren tekortvakken de kwantiteit en kwaliteit van het lerarencorps te verbeteren, met name voor tekortvakken. De investeringen uit deze impuls zijn geclusterd in drie programmalijnen (Kamerstukken, 2013):

  1. Sneller herkennen bètatalent op de basisschool;
  2. Meer studenten opleiden in universitaire lerarenopleidingen en leiden naar een
    baan;
  3. Startende en ervaren leraren behouden.

De programmalijn ‘sneller bètatalent herkennen op de basisschool’

De eerste programmalijn van de impuls leraren tekortvakken beoogt meer bètaopgeleiden in Nederland te krijgen. Vanuit het idee dat stimuleren van het kiezen voor een bètaopleiding ermee begint dat basisschoolleraren bètatalent sneller herkennen en leerlingen enthousiast maken voor wetenschap en techniek (W&T), omvat deze programmalijn verschillende maatregelen gericht op (leraren) in het primair onderwijs.

De programmalijn ‘meer studenten opleiden in universitaire lerarenopleidingen’

Het tweede onderdeel van de impuls heeft als ambitie om meer studenten op te
leiden in universitaire lerarenopleidingen en te leiden naar een baan als leraar. Dit
onderdeel bestaat uit een aantal subonderdelen.

  1. de uitbreiding van het traineeprogramma Eerst de Klas (EDK) en de introductie van Onderwijstraineeships (OTS).
  2. de ontwikkeling van een landelijk assessmentcentrum lerarenopleidingen;
  3. de oprichting van het Landelijk Transfercentrum (LTC) en de VierSlagLeren
    (VSL) projecten in het po en in het vo;
  4. de oprichting van de schakelprogramma’ s Mastermath, Chem4all, Inf4all
    en Natk4all;
  5. het opzetten van stages en gastlessen.

De programmalijn ‘startende en ervaren leraren behouden voor het onderwijs’

Het derde onderdeel van de impuls is de ambitie om meer startende en ervaren leraren te behouden. Het belangrijkste onderdeel van deze programmalijn is het project ‘Begeleiding Startende Leraren’, waarin een bestaand programma voor intensieve en betere begeleiding van beginnende leraren breder is uitgerold.

Daarnaast worden binnen deze programmalijn Professionele LeerGemeenschappen (PLG’s) ontwikkeld, zowel schooloverstijgend als binnen scholen. In een PLG werken docenten onder leiding van een deskundige aan het verbeteren van het (eigen) onderwijs.

Professionele LeerGemeenschappen

Binnen de laatste programmalijn worden ook Professionele LeerGemeenschappen
(PLG’s) ontwikkeld, zowel schooloverstijgend als binnen scholen. In een PLG werken docenten onder leiding van een deskundige aan het verbeteren van het (eigen) onderwijs. Bij de schooloverstijgende PLG’s blijkt motivatie van docenten een belangrijke factor in het succes van de PLG. Deelnemers zijn over het algemeen tevreden en de ervaren en benutte professionele ruimte van
leraren neemt toe. Toch is er ook nog ruimte voor verbetering van het rendement en is de interesse van het schoolmanagement nog een aandachtspunt.

Met de impuls is ook de ontwikkeling van scholen als PLG’s gestimuleerd. Onderzoek laat zien dat de ontwikkeling van de school als PLG mogelijk is, maar dat intern draagvlak onder medewerkers, personeelsbeleid gericht op ontwikkeling van de school als PLG en stimulerend en sturend schoolmanagement belangrijke succesbepalende factoren zijn voor de ontwikkeling van een school als PLG.


Download

Download hier de notitie van het CPB

Posted by Redactie