De persoon achter de leerling

Het aantal leerlingen dat langer dan drie maanden thuiszit en niet naar school gaat (thuiszitters) stijgt. Een stijging die al jaren zichtbaar is en doorzet. De inspanningen die voortvloeien uit het Thuiszitterspact (2016) of uit Passend onderwijs (2014) laten zich nog niet zien. Vanuit de onderwijspraktijk wordt de omgang met leerlingen met gedragsproblemen als moeilijk ervaren. Men ziet een verband tussen die moeilijkheden en het aantal thuiszitters dat niet terugloopt maar zelfs oploopt.

Onderzoek, gesubsidieerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO), wijst uit dat het belangrijk is dat scholen (nog) meer aandacht hebben voor de persoon en de omstandigheden achter de leerling. Scholen dienen gedrag (waaronder verzuim) te zien als een signaal voor tijdige interventie, ook op of via school. Maar al te vaak leidt het nu tot een ‘automatische’ indicatie voor voortgezet speciaal onderwijs of het plaatsen op een lager onderwijsniveau.

Stand van zaken passend onderwijs

In dit onderzoek is nagegaan wat de ervaringen zijn met passend onderwijs voor scholen in het basis,-  voortgezet,- en speciaal (basis)onderwijs, anno 2018. Daarvoor zijn schoolleiders en intern begeleiders en zorg/ondersteuningscoördinatoren bevraagd met digitale vragenlijsten. Het onderzoek maakt deel uit van de landelijke langetermijnevaluatie passend onderwijs en is op onderdelen het vervolg van eerdere projecten waarin ervaringen van scholen zijn verzameld. Het voornaamste doel van het onderzoek is te achterhalen wat de stand van zaken is op een aantal voor passend onderwijs relevante thema’s, vanuit het perspectief van scholen.

Bovenschools beleid

Passend onderwijs leek in de beginfase vooral een bestuurlijke en organisatorische aangelegenheid, met weinig impact op en aandacht voor de positie van de scholen. Inmiddels is passend onderwijs vier jaar gaande en blijkt dat scholen inmiddels wel degelijk impact ervaren van en deels ook invloed hebben op het beleid van hun samenwerkingsverband en hun bestuur.

Deskundigheid de cruciale factor

Slechts in een minderheid van de gevallen zijn er centrale afspraken als het gaat om professionalisering van leraren. De meeste samenwerkingsverbanden laten dit over aan de besturen. Zij krijgen hiermee een grote verantwoordelijkheid. De meeste scholen vinden de rol die hun bestuur speelt bij hoe zij binnen hun school passend onderwijs vormgeven goed. Vooral schoolleiders in het voortgezet onderwijs zijn tevreden over hun eigen invloed op het beleid van het samenwerkingsverband.

Financiën

Voor een kwart van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs en een derde van de schoolleiders in het basisonderwijs is het niet zo duidelijk hoeveel middelen voor passend onderwijs beschikbaar zijn voor hun school. Of dit ligt aan het samenwerkingsverband, het bestuur of aan de schoolleiders zelf is op grond van dit onderzoek niet te zeggen.

Het grootste deel van de middelen die scholen ontvangen komt rechtstreeks van het samenwerkingsverband. Daar hoeven bij het bestuur geen specifieke aanvragen voor worden gedaan.

In basisscholen worden middelen voor passend onderwijs vooral besteed aan het inhuren van externe hulp voor specifieke leerlingen, de inzet van klassenassistenten of lerarenondersteuners en extra uren voor de intern begeleider. In het voortgezet onderwijs worden de middelen vooral besteed aan extra uren voor de zorg- of ondersteuningscoördinator of leerlingenbegeleiders. Ook gaat daar extra geld naar de inzet van specialisten om leraren te ondersteunen en deskundigheidsbevordering. Ongeveer de helft van de schoolleiders in zowel basisonderwijs als voortgezet onderwijs vindt dat er sprake is van te weinig middelen.

Sturing vanuit samenwerkingsverband

Volgens de meeste schoolleiders streeft hun samenwerkingsverband er naar de omvang van het speciaal (basis)onderwijs te verminderen. Een derde van de schoolleiders geeft aan dat daar ook actief op wordt gestuurd. In weer een kleiner deel van die groep heerst de overtuiging dat doorverwijzen naar speciaal onderwijs niet meer mag of moeilijker is geworden. Binnen de samenwerkingsverbanden die beleid voeren is juist van een omgekeerd streven sprake; terugplaatsing in het regulier onderwijs of speciaal onderwijs van tijdelijke duur.

Beperkte onduidelijkheid over toewijzing

De meeste samenwerkingsverbanden voor primair onderwijs bieden een zogenaamd arrangement. De mogelijkheid om extra middelen voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften aan te vragen. De meeste basisscholen maken daar gebruik van. Acht op de tien basisscholen hebben de afgelopen twee jaar minstens één arrangement aangevraagd. Het voortgezet onderwijs en het sbo-(v)so hebben die mogelijkheid in mindere mate.

Toename bureaucratie

Een vrij grote groep respondenten is van mening dat de bureaucratie rond de ondersteuning van leerlingen is toegenomen sinds de start van passend onderwijs in 2014. Een iets minder grote groep vindt ook dat de bureaucratie de afgelopen twee jaar juist nog is toegenomen. Slechts ongeveer 10% rapporteert een afname van de bureaucratie.

Randvoorwaarden en ondersteuning

Volgens de schoolleiders en de intern begeleiders en zorg/ondersteuningscoördinatoren is het overwegend goed gesteld met de randvoorwaarden en ondersteuning voor een goede invulling van passend onderwijs op de school. Men vindt dat;

  • professionalisering systematisch wordt aangepakt;
  • het team daarbij wordt betrokken;
  • er in het team een goede overlegcultuur heerst;
  • kennis wordt gedeeld (dit wordt wel minder onderschreven in het voortgezet onderwijs);
  • de deskundigheid van de leraren op het gebied van passend onderwijs in de klas redelijk op orde is en de laatste jaren toegenomen;
  • leraren goed kunnen communiceren met ouders;
  • samenwerkingsverbanden goede ondersteuning bieden.

Zorgplicht en thuiszitters

Schoolleiders vinden dat zijzelf goed aan de zorgplicht voldoen, maar vinden dat niet altijd van andere scholen. Bijna driekwart van de schoolleiders signaleert bij andere scholen dat ze proberen de zorgplicht te ontwijken, of dat ‘enigszins’ doen. Echter, een meerderheid van de schoolleiders vindt dat het soms verstandig is om ouders vóór aanmelding te verwijzen naar een andere school.

Samenwerking onderwijs en de jeugdhulp

Eerstelijns hulpverleners (zoals schoolmaatschappelijk werkers, medewerkers van wijk- of jeugdteams en opvoedingsondersteuners) zijn redelijk veel op de scholen aanwezig; op ongeveer de helft van de scholen is dit regelmatig of vaak het geval. Voor medewerkers van de tweedelijns hulp (bijvoorbeeld jeugd-ggz) is dit aanzienlijk minder vaak zo. De tevredenheid in de scholen over de samenwerking met deze hulpverleners is redelijk, maar er worden ook nog knelpunten genoemd. In het voortgezet onderwijs worden deze klachten het sterkst geuit.

  • Een meerderheid van de ib’ers/zorgcoördinatoren vindt de wachttijden voor de jeugdhulp te lang.
  • Ongeveer de helft vindt ook dat er onvoldoende terugkoppeling plaatsvindt vanuit de jeugdhulp.
  • Gebrek aan continuïteit in personen.
  • Onuidelijkheid over bij wie de casusregie ligt.
  • Te weinig tijd voor de samenwerking.

Lees meer

Lees het gehele rapport van het Kohnstamminstituut hier.

 

 

 

Posted by Redactie Onderwijscommunity