Beeld van onderpresteren doemt op

Een van de doelen van het huidige onderwijsstelsel is ervoor zorgen dat leerlingen in voldoende mate geletterd en gecijferd zijn. Zulke vaardigheden zijn nodig, ook op andere leergebieden, maar ook in het vervolgonderwijs. Bovendien zijn deze vaardigheden noodzakelijk voor zelfredzaamheid. De Inspectie van het Onderwijs rapporteert ieder jaar over de taal- en rekenvaardigheden van groep 8-leerlingen. Aan de hand van jaarlijkse peilingsonderzoeken wordt de taal- en rekenvaardigheden van basisschoolleerlingen in Nederland in beeld gebracht. Voor het schooljaar 2018/2019 is er gekeken naar de resultaten van alle vijf eindtoetsen. 

Ook steeds minder excellente leerlingen

Veel leerlingen in Nederland behalen het fundamentele niveau voor lezen en rekenen. Een niveau waarvan de commissie zelf stelt dat het niet toereikend is om te functioneren in de maatschappij. Maar ook de groep die boven dit niveau uitstijgt en het streefniveau weet te behalen, is zeker voor rekenen klein. Van een deel van de leerlingen die het fundamentele of het streefniveau niet halen, zou je dat op basis van achtergrondkenmerken wel mogen verwachten. Internationaal onderzoek in het basisonderwijs laat daarnaast zien dat een steeds kleiner deel van de Nederlandse groep 6-leerlingen hoog en excellent presteert op het gebied van rekenen. Ook voor lezen zijn er in
internationaal perspectief relatief weinig Nederlandse groep 6-leerlingen die het hoogste niveau halen.

Het is onze gezamenlijke opgave om daar verbetering in aan te brengen en het algehele niveau omhoog te tillen

Drs. Monique Vogelzang, Inspecteur-generaal van het Onderwijs

Fundamenteel niveau is eigenlijk ondermaats

In het rapport is de vaardigheid van leerlingen voor taalverzorging, lezen en rekenen in kaart gebracht, op basis van referentieniveaus. Het doel is dat zo veel mogelijk kinderen aan het einde van de basisschooltijd een zo hoog mogelijk niveau behalen; 1F is hierbij het gestelde fundamentele minimum; het fundamentele niveau is echter niet voldoende om goed te kunnen functioneren in de maatschappij. 1S/2F is het streefniveau; het maatschappelijk functioneel niveau dat elke Nederlander minimaal zou moeten beheersen. De commissie Meijerink heeft als ambitie dat minimaal 85% van alle leerlingen het 1F-niveau beheerst, en minimaal 65% het 1S/2F-niveau.

 

Streefniveau rekenen wordt niet behaald

Het overgrote deel van de leerlingen beheerst niveau 1F voor alle onderdelen: lezen (98%), taalverzorging (97%) en rekenen (94%). Dit is ruim boven de ambitie van 85%. Voor het streefniveau 1S/2F beheerst 78% van de leerlingen dat voor het onderdeel lezen. Ook dit boven de ambitie van 65%. Maar voor de onderdelen taalverzorging en rekenen beheersen minder leerlingen dit niveau. Voor taalverzorging 60% en voor rekenen maar 47%.

 

Slechts een derde behaalt alle drie de streefniveaus

Een klein deel van de leerlingen (0,3%) behaalt voor alle onderdelen niet het 1F-niveau. Maar er zijn ook weinig leerlingen (37%) die de streefniveaus voor alle onderdelen beheersen. Leerlingen die 1S voor rekenen behalen, beheersen ook 2F voor lezen. En leerlingen die het streefniveau voor taalverzorging beheersen, behalen die ook 2F voor lezen. Maar het omgekeerde is niet het geval: leerlingen die 2F beheersen voor lezen, behalen niet allemaal 1S voor rekenen of 2F voor taalverzorging.

 

Jongens beter in rekenen, meisjes in taalverzorging en lezen

Beide groepen halen de ambitie van 65% voor 2F lezen. Hierbij behalen meisjes 81% 2F en jongens 75%. Bij taalverzorging halen alleen meisjes de ambitie van het streefniveau, namelijk 66% en de jongens 55%. Bij rekenen behalen zowel de jongens als de meisjes niet de ambitie van 65%. Verder zijn het vooral jongens die voor geen van alle onderdelen het 1F-niveau beheersen. Daarnaast behalen meisjes vaker op alle onderdelen het streefniveau. 

 

Opleidingsniveau ouders heeft sterke invloed op beheersing referentieniveaus

Het verschil in beheersing van de streefniveaus is vooral te zien tussen leerlingen met hoogopgeleide ouders en leerlingen met laagopgeleide ouders. Een groot deel (92%) van de leerlingen met hoogopgeleide ouders beheerst het 2F-niveau voor lezen, bij leerlingen met laagopgeleide ouders is dit 59%. Bij rekenen is dit 67% tegen 33% en bij taalverzorging 75% tegen 48%.

 

Betere prestaties door hogere verwachte onderwijsscores?

Het CBS berekent de verwachte onderwijsscore voor alle leerlingen op basis van verschillende factoren, bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de ouders. Er zijn vooral grote verschillen in de beheersing van streefniveaus door leerlingen met de hoogste en de laagste onderwijsscores. Al met al beheersen leerlingen met een hoge verwachte onderwijsscore meer de streefniveaus, dan leerlingen met een lage verwachte onderwijsscore. Verder blijkt dat leerlingen met de hoogste verwachte onderwijsscore drie keer zo veel het streefniveau behalen voor taalverzorging, lezen én rekenen als leerlingen met een laag verwachte onderwijsscore, namelijk 62% tegen 20%.

 

Schooladvies niet bijgesteld aan behaalde niveau

Een groot deel van de leerlingen (86%) met een vwo-schooladvies behaalt ook het streefniveau op alle onderdelen. Het percentage daalt sterk wanneer het schooladvies lager is. Wel is het opvallend dat 600 leerlingen met een schooladvies havo het streefniveau voor alle onderdelen niet behalen. Daarentegen zijn er 400 leerlingen met een schooladvies onder vmbo-(g)t, die wel het streefniveau op alle onderdelen beheersen. Gekeken vanuit het oogpunt op gelijke kansen valt het op dat bij bijna de helft van deze 400 leerlingen het schooladvies niet wordt bijgesteld. 

 

Niet-westerse migranten scoren lager

Leerlingen met een niet-westerse achtergrond presteren gemiddeld minder goed dan leerlingen met een westerse migratieachtergrond of zonder migratieachtergrond. De eerste generatie met een niet-westerse migratieachtergrond presteert minder goed voor lezen en taalverzorging, dan de tweede generatie. Bij het onderdeel rekenen is er bijna geen verschil tussen de twee generaties. De tweede generatie westerse migranten presteert duidelijk beter op alle onderdelen dan de eerste generatie westerse migranten, zelfs beter dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Dit zou kunnen komen doordat de ouders van leerlingen met een westerse migratieachtergrond vaak hoger opgeleid zijn.

 

Minder goede prestaties onder zittenblijvers

Zittenblijvers behalen vaak minder goede resultaten aan het eind van de basisschoolperiode, dan leerlingen die de periode in 8 jaar doorlopen. Leerlingen die versneld doorlopen doen het juist beter. Leerlingen die zijn blijven zitten, presteren minder goed bij rekenen. Bij het onderdeel lezen beheerst 86% van de versnelde leerlingen het 2F-niveau en 59% van de zittenblijvers. Voor taalverzorging is dit bij versnelde leerlingen 73% en bij zittenblijvers 36%.

Onderwijsresultaatmodel en gezamenlijke ambities

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de PO-Raad en de inspectie willen scholen en
besturen in het primair onderwijs daarom stimuleren om gezamenlijke ambities te formuleren met als doel de
resultaten te verhogen. Om dat te ondersteunen zijn diverse initiatieven gestart, zoals werkbijeenkomsten van de
PO-Raad voor scholen en besturen en de ontwikkeling van benchmarks waarmee scholen en besturen de mogelijkheid krijgen om hun eigen prestaties te vergelijken met die van andere scholen. De inspectie beoordeelt met ingang van het schooljaar 2020/2021 de onderwijsresultaten van scholen op basis van de referentieniveaus. Dit nieuwe onderwijsresultatenmodel is niet alleen een instrument voor de inspectie om te beoordelen of scholen voldoende resultaten halen. Het geeft scholen en besturen ook de mogelijkheid om te zien of de behaalde resultaten overeenkomen met de verwachting, gezien hun leerlingpopulatie.


Het hele rapport van de Inspectie van Onderwijs ‘Peil.taal en rekenen 2018-2019’ leest u hier

Posted by Redactie Onderwijscommunity