Openheid door samenwerking

Het rapport van het Rathenau Instituut schetst een beeld over de wereld van onderwijsonderzoek. Momenteel is open science een belangrijk streven op wetenschappelijk gebied. De verwachting van beleidsmakers is dat;

  1. door open science de onderzoeksvragen beter aansluiten op maatschappelijke behoeften;
  2. de wetenschap meer creatief wordt
  3. de samenleving profiteert door hogere wetenschappelijke geletterdheid.

Democratisering van wetenschap is niet nieuw. Door de jaren is dit één van de doelen geweest van verschillende wetenschapsbeleidskaders. 

Momenteel ligt binnen open science de nadruk vooral op vrije toegang tot onderzoeksdata en wetenschappelijke artikelen. Hoewel de openheid van wetenschap ervoor kan zorgen dat onderzoek beter aansluit op de behoeften vanuit de maatschappij en meer impact krijgt, raakt die openheid steeds verder op de achtergrond.

Draagvlak door betrokkenheid

Met publiek betrokkenheid wordt de participatie van maatschappelijke organisaties of burgers bedoeld in het wetenschappelijke onderzoeksproces. Betrokkenen kunnen belanghebbenden zijn, professionals of puur geïnteresseerden in het onderzoek. Ze kunnen op diverse manieren betrokken worden bij het onderzoeksproces;

  1. bijvoorbeeld door praktijkervaring of kennis te delen,
  2. data te verzamelen,
  3. inzichten uit onderzoeken te vertalen naar toepassingen voor in de praktijk.

Er zijn genoeg redenen om publieke betrokkenheid te omarmen. De eerste en principiële reden is dat publieke betrokkenheid bij wetenschappelijk onderzoek een mensenrecht is. Daarbij is het zo dat publiek gefinancierd onderzoek dient aan te sluiten op de publieksbehoeften. Naast principiële redenen zijn er ook instrumentele redenen. Verbetering in wetenschappelijk onderzoek is mogelijk wanneer belanghebbenden en professionals ervaring, kennis en inzichten inbrengen. Bovendien kan participatie voor maatschappelijk draagvlak zorgen. 

Hoe krijgt publieke betrokkenheid vorm in onderwijsonderzoek?

Dit deel-onderzoek van het Rathenau instituut, uit een serie van drie casusonderzoeken, gaat in op de volgende vragen;

  1. Door wie en op welke manier wordt publieke betrokkenheid ingevuld?
  2. Wat levert deze betrokkenheid op?
  3. Welke knelpunten bestaan er?
  4. Welke lessen volgen hieruit?

Geen sprake van structurele publieke betrokkenheid

Publieke betrokkenheid in onderwijsonderzoek krijgt vorm in agendering, uitvoering en verspreiding van onderzoek. Vooralsnog vind dit op bescheiden schaal plaats. Leraren en schoolleiders spelen vaak nog op individuele basis een rol in het programmeren en agenderen van praktijkgericht onderzoek. Daarbij is de aandacht voor praktijkonderzoek toegenomen, bijvoorbeeld in academische werkplaatsen. Onderzoek is daar doorgaans niet gericht op generieke kennisontwikkeling, maar op een specifieke praktijk.

Hoewel de onderwijssector veel energie steekt in het toegankelijk maken van resultaten en inzichten, zijn de initiatieven om betrokken te raken weinig gecoördineerd en is de basis van betrokkenheid van onderwijsprofessionals er vooral één van individueel enthousiasme.

Het betrekken van ouders en leerlingen, of bijvoorbeeld belangenbehartigers, gebeurt minimaal.

Bottom-up impliceert een onderzoekende houding

Publieke betrokkenheid in wetenschappelijk onderzoek ligt in lijn met de tendens van bottom-up-vernieuwing in het onderwijs. Scholen dienen hiertoe een onderzoekscultuur te ontwikkelen waarbij onderwijsprofessionals meer evidence-informed gaan werken en vanuit een onderzoekende houding reflecteren op hun eigen lespraktijk. Dan kunnen zij wetenschappelijke inzichten gebruiken in de les en daarmee hun lespraktijk verbeteren.

 

Een 4-tal kanttekeningen

Coördinatie nodig om kansenongelijkheid niet te vergroten

Enige coördinatie van betrokkenheid lijkt wenselijk. In het onderwijs blijkt dat vooral díe scholen te profiteren, die tijd en financiële ruimte hebben voor betrokkenheid bij onderzoek. Dit in tegenstelling tot probleemscholen waar het water vaak al aan de lippen staat en het team de handen vol heeft aan kwetsbare leerlingen bijvoorbeeld. 

Zo kan het vrije, niet-gecoördineerde karakter van dergelijke onderzoeksinitiatieven juist kansenongelijkheid in de hand werken. Het vergroot de reeds bestaande verschillen, met de positieve effecten die ervan uitgaan. Daarnaast lijkt ook de agenda onbedoeld langs deze lijnen te worden geleid.  

Financiers als het NRO zouden hierin sturend kunnen optreden in de toekenning van projecten of extra aandacht voor specifieke scholen. Ook zou het zwakkere scholen bij lopende projecten kunnen betrekken.

Integreer bredere diversiteit aan belanghebbenden in het onderzoek

Het vereist oog voor de brede diversiteit aan belangen die met onderzoek gemoeid zijn om alle relevante partijen bij onderzoek te betrekken. Betrokkenheid komt gemakkelijker tot stand naarmate belanghebbenden meer georganiseerd zijn en hun belangenorganisaties meer oog hebben voor wat onderzoek hen kan opleveren.

In het onderwijs bemoeien organisaties van ouders en leerlingen zich nauwelijks met de kennisagenda, en vakverenigingen van leraren en vakbonden ook niet. Dit heeft invloed op de vragen die er in het onderwijsonderzoek worden gesteld.

Werk toe naar bredere wetenschappelijke waardering

Binnen de wetenschappelijke gemeenschap krijgt publiceren in internationale tijdschriften meer waardering dan het vertalen van kennis naar de praktijk. Wil samenwerking met het publiek voor wetenschappers aantrekkelijk zijn, dan moet dat in het systeem van ‘erkennen en waarderen’ een plek krijgen. Nu tellen alleen de publicaties in internationale tijdschriften.

Overbrug korte termijn praktijk met lange termijn onderzoek

Onderzoek en praktijk kennen vaak een andere tijdshorizon. Waar onderzoekers rekenen in termen van jaren, kijkt de praktijk vaak naar de problemen van vandaag. Meer stapsgewijs en interactief onderzoek zou zo’n tijdshorizon kunnen overbruggen. Tussentijdse inzichten zijn dan alvast toepasbaar in de praktijk en daarmee kan het onderzoek ook weer worden bijgestuurd.

Tevens, hoe meer onderzoek aansluit op de intrinsieke motivatie van belanghebbenden in het veld, des te eerder ze geneigd zijn eraan bij te dragen. 


Bron: Samenvatting van het onderzoek van het Rathenau Instituut (2020). In open science toont zich de meester – Publieke betrokkenheid bij onderwijsonderzoek. Den Haag (auteurs: Scholvinck, A.F.M, S. van Ewijk, W. Scholten & P. Diederen)

Posted by Redactie Onderwijscommunity