De eindtoets en maatschappelijke ordening

De eindtoets kent een lange ontstaansgeschiedenis. Deze is ingebed in verschillende periodes van denken en handelen. Zodoende zijn de keuzes die eraan vooraf zijn gegaan aan het zicht en daarmee aan de discussie onttrokken. Daarmee ook zijn de normatieve implicaties ervan voor een belangrijk deel onbesproken gebleven. Wat hier volgt is een samenvatting van het promotieonderzoek ‘Van de kat en de bel’, een reconstructie van de werkelijkheid zoals die met behulp van de eindtoets gestalte heeft gekregen.

De eindtoets is in vijftig jaar uitgegroeid tot een onder regie van de overheid ontwikkeld en door de overheid verplicht gesteld instrument met twee belangrijke functies:

  1. toezicht houden op de kwaliteit van onderwijs,
  2. het verdelen van toegangsbewijzen voor vervolgonderwijs.

De eindtoets speelt een belangrijke rol in de maatschappelijke ordening van Nederland en is te beschouwen als een institutie in sociologische zin.

Dat roept de vraag op naar wat de eindtoets telt en vertelt. Welke keuzes gaan daarachter schuil, welke aannames zijn er (gedaan) en wat de boodschap is die wordt overgebracht.

Van de kat en de bel

In dit promotieonderzoek zijn de wetenschappelijke argumenten en onderbouwingen getoetst, die gebruikt zijn in het politieke, het beleidsmatige en het maatschappelijke discours over de eindtoets en zijn voorlopers. ‘Van de kat en de bel’ is een reconstructie van de werkelijkheid zoals die met behulp van de eindtoets gestalte heeft gekregen.

Wat is de bepalende kracht van de eindtoets als het gaat om vraagstukken:

  • inzake doel en functie van onderwijs in het algemeen,
  • rechtvaardigheid van verdelingen,
  • kansengelijkheid en vraagstukken van verdelingen in de praktijk?

En wat kan men zeggen over de psychometrische waarde van de eindtoets? Zo kan uiteindelijk de normatieve vraag naar de deugdelijkheid van de eindtoets beantwoord en onderbouwd worden.

De eindtoets en het normerende inspectie-oordeel

Het sturen op ongelijke onderwijsuitkomsten is een expliciete doelstelling van de eindtoets (en van de toetsen van het leerlingvolgsysteem, LVS). De toetsen zijn gericht op het kunnen differentiëren van leerlingen. Deze zijn vervolgens te ordenen van laag naar hoog. In de praktijk blijken vooral kinderen van autochtone, hoger opgeleide ouders de meeste kans te hebben op de hoogste onderwijsposities. Bevestiging van verschillen in resultaten voor taal en rekenen, mits te herleiden tot sociaal-economische achterstanden, leidt ook tot een positief inspectie-oordeel bij de beoordeling van de kwaliteit van scholen. Want de inspectie bepaalt op basis van de SES-score (Sociaal Economische Score, red.) wat de opbrengsten zouden moeten zijn. Ze past haar norm dus aan op de populatie van de school. Dat lijkt eerlijk, want op sommige scholen moet je nu eenmaal harder werken voor resultaten dan op andere. Maar is het ook rechtvaardig? Want neem je hierdoor niet de urgentie weg om verschillen te verkleinen, en bestendig je achterstand?  

De toets is gelijk, alleen de kansen vooraf niet

Voor de leerling en zijn ouders betekent ‘gelijke kansen’ vooral dat alle leerlingen dezelfde toets op hetzelfde moment maken zodat ze ‘eerlijk’ met elkaar vergeleken kunnen worden. Niet de geschiktheid of passendheid ten opzichte van een vorm van vervolgonderwijs maar de relatieve positie ten opzichte van de rest van het deelnemende cohort leerlingen, op basis van hun gecombineerde score taal en rekenen, is hierbij het uitgangspunt. En die score wordt maatschappelijk geassocieerd met en geaccepteerd als een bepaalde mate van intelligentie waarmee de rechtvaardigheid van de adviezen wordt gelegitimeerd. De invulling die het begrip ‘gelijke kansen’ zo krijgt, is vooral een procedurele.

Eindtoets bevestigt maatschappelijke ongelijkheid

De meritocratische uitgangspunten van onderwijs en toetsing leiden zowel op het niveau van de school als op het niveau van de leerling meer tot bevestiging van de uitgangssituatie bij intrede in het funderend onderwijs, dan dat het leidt tot het vergroten van kansen voor kinderen die met achterstanden het onderwijs instromen. Daarmee heeft de eindtoets niet of nauwelijks de emancipatoire rol die we er graag aan toedichten. De eindtoets en het daarmee samenhangende kwaliteitsoordeel van scholen door de overheid dragen vooral bij aan een verdere bevestiging van de bestaande maatschappelijke ongelijkheid en draagt bij aan een verdere verharding van bestaande maatschappelijke ongelijkheid.

 

samenvatting drs. K.Heij; opmaak, titel en kleine tekstuele aanpassing in de opbouw om technische redenen door de redactie.


Bron:

Tilburg University: promotie drs. K. Heij;  ‘Van de kat en de bel, tellen en vertellen met de eindtoets basisonderwijs’
  • Promotor: prof. dr. P.H. Frissen
  • Copromotor: Dr. F.J. de Vijlder

Onderwijsinspectie; Technisch rapport – Schoolverschillen kwantitatief

 

Posted by Redactie Onderwijscommunity