Rapport Dijsselbloem destijds uiterst kritisch op de Haagse stolp

In 2008 werd door de Commissie Dijsselbloem een kritisch rapport uitgebracht over de beleidsuitvoering door de overheid met betrekking tot enkele onderwijsvernieuwingen. Volgens de Commissie moesten veel zaken anders en er werden een groot aantal aanbevelingen gedaan. Het Kohnstamm Instituut onderzocht zes jaar na verschijnen van het rapport en het gevoerde Kamerdebat of de beleidsvoering en beleidsontwikkeling daadwerkelijk is veranderd, op het gebied van acht verschillende beleidsonderwerpen.

Conclusie: de invloed van het werk van de Commissie was ronduit beperkt. 

Gesloten kring van beleidsmakers

Even ter herinnering: de parlementaire onderzoekscommissie hield 20 jaar onderwijshervormingen tegen het licht. De basisconclusie van het rapport luidt: “De gehele beleidsadvisering en beleidsvoorbereiding speelde zich af binnen de kleine en gesloten kring van ambtenaren, zogeheten deskundigen, adviseurs en vertegenwoordigers van allerhande organisaties die ook op vernieuwing aanstuurden.” Commissievoorzitter Dijsselbloem voegde er het tijdens het Kamerdebat aan toe:

Het parlement mag de belangenorganisaties en vakbonden niet op hun blauwe ogen geloven als zij stellen dat hun achterban voor of tegen een voorstel is.

Het moet zelf peilingen onder leerkrachten houden om erachter te komen of zij de nieuwe plannen wel steunen.” De hervormingen die momenteel (2008 red.) op stapel staan moeten opnieuw bekeken worden vanuit de raadpleging van de leerkrachten: inclusief ’passend onderwijs’, competentiegericht middelbaar beroepsonderwijs, enveloppe- financiering en schaalvergroting in het basisonderwijs. Volgens Tjeenk Willink, destijds vice-voorzitter Raad van State, illustreert het rapport bijzonder helder de vervreemding van de politiek.

Flink aangezwollen managementlaag

Het rapport is een aanklacht tegen de onbezonnenheid van het beleid en tegen de grote kloof tussen de Haagse beleidswerkelijkheid en de door onderwijsmensen aan den lijve ervaren werkelijkheid. De beleidsmensen lieten zich volgens de commissie gewillig misleiden door pedagogische nieuwlichters en door de kopstukken van de belangenorganisaties (koepels, inspectie, raden allerhande, pedagogische centra, onderwijsvakbonden …). Het aantal ambtenaren, technocraten, managers en bureaucraten is de voorbije 20 jaar enorm gestegen. (2008 red) Deze managementlaag houdt zichzelf in stand en stuurt, adviseert en controleert het onderwijs. Het onderwijs is veel meer het eigendom van de ambtenaren, adviseurs en ondersteuners en van de lokale schoolmanagers dan van de leerkrachten.

Lippendienst vs draagvlak

Het rapport-Dijsselbloem is een moedig rapport. Veel waarnemers hadden niet verwacht dat de parlementaire commissieleden geneigd zouden zijn om het eigen politiek beleid en het vernieuwingsestablishment zo kritisch te benaderen. Het rapport kreeg bijzonder veel aandacht in de media en kon op een massale instemmende respons rekenen, ook vanwege minister Plasterk en tijdens het kamerdebat van 15,17 & 18 april 2008.

Regelmatig kwamen onderwerpen langs, zoals aandacht voor implementatie en de voorkeur voor evidence- based- beleid, draagvlak voor vernieuwingen in de onderwijswereld en het onderscheid tussen de ‘wat en hoe’ in de rol van de overheid. Ondanks dat was er weinig sprake van systematische doordenking en toetsing van het nieuwe beleid in het kader van de aanbevelingen van de Commissie.

Uit de studie van het Kohnstamm Instituut in opdracht van de onderwijsraad, naar de Impact van de Commissie Dijsselbloem op onderwijsbeleid, blijkt dat er vooral veel lippendienst aan het rapport is bewezen. Tijdens de studie is een analyse gemaakt van beleids- en andere documenten over thema’s zoals passend onderwijs, lerarenbeleid, toezichtbeleid, kwaliteitsbeleid, voor- en vroegschoolse educatie, voortijdig schoolverlaten, onderwijstijd, burgerschap en sociale integratie.

Slechts enkele veranderingen, in de houding

Het is gebruikelijker geworden om veldraadplegingen te organiseren over nieuw beleid, sinds ‘Dijsselbloem’. Toch is het niet altijd helder wat daar nadien mee is gedaan. Soms zijn experts van buitenaf gevraagd om te kijken naar het nieuwe beleid, of de overheid zette eigen implementatiecapaciteit in. Ook liet het ministerie van OCW vrij veel onderzoek doen ten dienste van de beleidsvoering, zij het overwegend ad hoc en niet vanuit een onderzoeksprogramma. En uitgezonderd Passend Onderwijs, zijn er op dat moment geen stelselwijzigingen voorgesteld. 

 

Minimale impact

Er zijn drie hoofdredenen voor de minimale impact van het werk van de Commissie.

  1. De werking van de politiek. Deze is vooral gericht op de korte termijn en op snel en zichtbaar ‘scoren’ voor de eigen achterban en op reageren op publieks- en persgeluiden. Systematiek, consistentie, bedachtzaamheid en de tijd nemen (bijvoorbeeld voor pilots en experimenten voorafgaand aan invoering van nieuw beleid) staan hiermee op gespannen voet.
  2. De politiek is vaak ambivalent als het gaat om de autonomie van onderwijsprofessionals. Er wordt vaak gezegd dat er meer vrijheid nodig is in het onderwijs en dat vernieuwing ‘bottom-up’ moet plaatsvinden. Toch is er sprake van ‘top-down’ regelen wanneer men vindt dat processen langzaam verlopen of niet de gewenste richting ingaan.
  3. De tweede oorzaak is dat niet alle aanbevelingen van de Commissie goed uit te voeren zijn. Een belangrijk voorbeeld hiervan is het door de Commissie bepleite onderscheid tussen ‘wat’ en ‘hoe’. Het wat en hoe dient als leidraad voor bevoegheids- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de staat en het onderwijsveld. 

Bron: Kohnstamminstituut & BeterOnderwijsNederland

Voor diegenen die specifiek geïnteresseerd zijn in de analyse van het beleid op een van de onderzochte beleidsterreinen, hebben zijn er acht deelrapporten samengesteld. Die vindt u eveneens bij bovenstaande link.

Posted by Redactie Onderwijscommunity