Resultaten verder onder druk 

In de afgelopen periode zijn verschillende relevante randvoorwaarden voor het onderwijs aangetast. Mede door een hoge ervaren werkdruk is het aantal leerkrachten afgenomen, met als resultaat een lerarentekort. Daarnaast verandert de leerlingenpopulatie en wordt er slechts beperkt geïnvesteerd in huisvesting voor het onderwijs. Deze uitdagingen zetten de doelmatigheid verder onder druk. De verwachting is dat dit zal leiden tot een afname van de onderwijsresultaten en grotere verschillen tussen scholen onderling. In 2019 waarschuwde de Inspectie al dat zonder goede randvoorwaarden de onderwijskwaliteit onder druk komt te staan.

 

Lerarentekort neemt toe, ervaren werkdruk is hoog

In 2019 bedroeg het lerarentekort ongeveer 1% van het lerarenbestand. Dit lijkt weinig, maar het gaat om grote getallen die bovendien naar verwachting toenemen. Bovendien zijn er grote verschillen tussen scholen en regio’s. Met name op zwakke scholen en op grootstedelijke scholen is het lerarentekort groter. Scholen buiten deze gebieden gaven aan dat er niet zozeer een lerarentekort is, maar dat het vinden van vervanging wel de nodige moeite kost. Hierdoor nemen leraren extra werkzaamheden over of worden klassen samengevoegd, hetgeen ten koste gaat van de onderwijskwaliteit. 

Het structurele lerarentekort zal in de toekomst toenemen. Naar verwachting loopt dit in 2029 op tot 9% in het basisonderwijs en 3% in het voortgezet onderwijs. Het laatste percentage is een gemiddelde over alle vakken. Bij bepaalde vakken, zoals Duits en natuurkunde zal het lerarentekort oplopen tot meer dan 10%. 

Minder aanzien, hogere werkdruk

Volgens de sector komt het lerarentekort door het slechte imago van het onderwijsvak. Dit heeft onder andere te maken met de veranderende maatschappij. Er bestaat minder respect voor de leraar en voor school. Daarnaast spelen de hoge werkdruk en de salariëring een grote rol. Verder is een relevant gevolg van het lerarentekort een verminderde selectiviteit. Het wordt hierdoor moeilijker om de beste kwaliteit te garanderen voor alle leerlingen.

Zo werd in 2017 4,3% van de lessen in het VO gegeven door onbevoegde leraren. Scholen met een meer uitdagende samenstelling worden dubbel getroffen: het lerarentekort is groter, en er is beperkt mogelijkheid om te selecteren uit verschillende kandidaten. Op scholen met relatief veel kinderen met een lage sociaaleconomische achtergrond werken minder academisch geschoolde leraren dan op scholen met relatief veel kinderen met een hoge sociaaleconomische achtergrond. Dit vergroot de verschillen tussen scholen.

Tot slot lijkt het Nederlands onderwijssysteem niet de sterkste profielen aan te trekken tot het lerarenvak. Leerlingen die ambiëren leraar te worden, scoren ongeveer 40 punten lager op wiskunde, dan leerlingen die een ander beroep kiezen. Op gemiddelden van rond de 500 punten volgens de PISA schaal. Opmerkelijk is dat landen die internationaal bij de wereldtop horen, wel sterke leerlingen aantrekken tot het lerarenvak. In Estland scoort diezelfde leerling juist 10 punten boven het gemiddelde van zijn land.

Salaris en groeimogelijkheden in PO lager dan in VO

In het basisonderwijs liggen de lonen lager dan in het voortgezet onderwijs. Het SEO Economisch Onderzoek concludeerde dat het bruto-uurloon van een PO-werknemer ongeveer 11% lager is, dan dat van werknemers uit de private sector met een vergelijkbare achtergrond. Uit gesprekken blijkt dat PO-leraren zich vooral vergelijken met VO-leraren. Het verschil in beloning, 5-15%, wordt als onrechtvaardig ervaren. 

Vergeleken met andere landen worden leraren in Nederland relatief goed betaald. Het startsalaris is hoger dan in top-onderwijslanden. Ook het maximaal haalbare salaris ligt hoger in Nederland. Wel zijn er verschillen in potentiële salarisgroei. In Canada, Japan en Finland is dit 68% en in Nederland 57%. Verder zijn er meer doorgroeimogelijkheden in het voortgezet onderwijs. Ondanks voldoende salaris en een hoge baanzekerheid, hebben leraren in Nederland vergeleken met andere landen een lage status.

Lage status lijkt doorslaggevend te zijn voor de beperkte aantrekkelijkheid van het beroep

Uitstroom van leraren in onderwijs is groot

Meer dan de helft van de pabo-studenten die aan de opleiding begint, valt uit voordat hij of zij vijf jaar voor de klas heeft gestaan. Van de ruim 7.000 leerlingen die in 2011 aan de pabo begonnen, waren er in 2018 naar schatting nog slechts 3.000 in het onderwijs werkzaam. Het aantal studenten dat uiteindelijk niet in het onderwijs werkt, is groter dan het lerarentekort. De meesten vallen uit in de eerste jaren van de studie. Hoewel uitval bij hbo-studies niet onbekend is, ligt het percentage bij de pabo hoger dan bij andere studies. Van degenen die de opleiding afronden, valt nog eens 15%, oftewel 550 docenten, binnen 3 jaar af.

10.000 PO docenten thuis met WW

Oorzaken voor uitval zijn: het niet krijgen van een (vaste) baan, gebrek aan aansluiting, eenzame gevoelens, weinig sociale steun en persoonlijke situaties. De afgelopen jaren zijn er wel verschillende maatregelen genomen om de uitval van studenten te verlagen, zoals de toelatingstoetsen, ingevoerd in 2015. Daarnaast is de kans op een vaste baan toegenomen en is de begeleiding verbeterd.

Niet alleen in het begin, ook later in hun carrière verlaten leraren het onderwijs. Het aantal starters is groter dan het aantal dat uiteindelijk vanuit het onderwijs met pensioen gaat. Dit geldt zowel in het basisonderwijs, als in het voortgezet en speciaal onderwijs. Opmerkelijk gegeven in deze; begin 2019 becijferde Regioplan dat er ruim 10.000 mensen met een onderwijsbevoegdheid, en een eerder dienstverband in het primair onderwijs, in de WW zitten, waarvan 23% weer graag als leraar in het PO aan de slag zou willen gaan.

 

Veel onbetaald overwerk en hoog ziekteverzuim

In vergelijking tot werknemers in andere sectoren ervaren leraren een hogere werkdruk en minder autonomie. Één van de oorzaken van de hoge werkdruk is het aantal uren dat leraren voor de klas moeten staan. Het aantal lesuren voor de klas ligt hoger dan het internationaal gemiddelde. Leraren besteden 43% tot 47% van hun werktijd aan lesgeven. De overige taken, zoals het voorbereiden, nakijken, het contact met ouders en de administratie, kosten volgens de leraren meer tijd dan er volgens de cao voor staat. Dit resulteert uiteindelijk in overwerk. Verder is de veranderde houding van ouders ook een bron van werkdruk. Leraren hebben het gevoel minder autoriteit te hebben en dat ouders op hen neerkijken. Ouders verwachten meer aandacht voor hun kinderen, zijn veeleisender geworden en hebben minder respect voor de leraar.

De hoge werkdruk in het onderwijs is een oorzaak en ook het gevolg van hoog ziekteverzuim. Het ligt in het funderend onderwijs 1 tot 3 procentpunt hoger dan zowel het landelijk gemiddelde als de Verbaannorm voor het onderwijs, beiden rond de 4%. Dit kan er uiteindelijk ook toe leiden dat leraren die niet verzuimen, meer druk ervaren. Werkdruk en ziekteverzuim kunnen hierdoor een vicieuze cirkel vormen.

Wanneer het verzuimpercentage op het landelijk gemiddelde zou zitten, zou er geen lerarentekort zijn

 

Leraren werken gemiddeld minder uren

Sinds de jaren ‘80 daalt het aantal mannen in het onderwijs. Dit zou kunnen komen door de lage status en het samenvoegen van de pabo en de KLOS in 1984. In het basisonderwijs werken gemiddeld 82% vrouwen en 18% mannen. In het voortgezet onderwijs is dit meer in evenwicht: 51% tegenover 49%. Verder is de werktijdfactor gedaald door de toename van het aantal vrouwen in het onderwijs en de werkdruk. Leraren hebben aangegeven bereid te zijn om meer te werken, maar wel tegen bepaalde voorwaarden, zoals financiële vooruitgang, beter evenwicht tussen werk en privé en meer interessante taken. 

 

Groeiende ongelijkheid tussen scholen door veranderende leerlingenpopulatie

De groeiende ongelijkheid tussen scholen wordt veroorzaakt door de steeds sterker veranderende leerlingenpopulatie. De leerlingenpopulatie verandert op diverse manieren, die elkaar deels versterken en of overlappen. Hieronder worden vier van deze manieren verder toegelicht.

  • Aantal leerlingen per school; een groei of krimp van het leerlingenaantal kan voor scholen een uitdaging zijn, doordat personeelsinzet en huisvesting niet altijd meteen aangepast kunnen worden aan het leerlingenaantal. De ongelijkheid tussen scholen kan hierdoor vergroten, doordat sommige scholen niet te maken hebben met een veranderend leerlingenaantal.
  • Etnische achtergrond van leerlingen; Momenteel zijn er meer niet-westerse leerlingen in het onderwijs dan voorheen, namelijk 18% van de leerlingenpopulatie. Dit was 16% in 2006. Nederland telt inmiddels 446 scholen met een leerlingenpopulatie van 70% met een niet-westerse migratie achtergrond. Dit bedraagt 7% van het scholenbestand en was 6,7% in 2014. Uit internationaal onderzoek blijkt dat wanneer een school meer dan 70% niet-westerse leerlingen heeft, de onderwijsresultaten significant dalen. Vooral in de kleuterklassen kampen scholen met het wegwerken van taalachterstanden, wat ten koste gaat van andere onderdelen in het onderwijs. Bijkomend probleem is de teruglopende bekostiging vanuit de gemeenten voor onderwijsachterstandenbeleid.
  • Meer kinderen met een instabiele thuissituatie; door de toename van het aantal echtscheidingen is de thuissituatie van kinderen instabieler dan vroeger. Een andere oorzaak is de toename van de gemiddelde arbeidsduur van ouders. Ook al zijn het beperkte toenames, in het onderwijs kan dit voor grote gevolgen zorgen. Verschillende leraren hebben aangegeven dat leerlingen in toenemende mate worden beschadigd door een instabiele thuissituatie. Hierdoor krijgen leraren niet alleen het gevoel om de rol als docent op zich te nemen, maar ook als opvoeder.
  • Sociaaleconomische segregatie; leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden gaan steeds minder met elkaar om. Dit gebeurt in de maatschappij, maar ook in het onderwijs. Dit komt door de woonsegregatie, maar ook de opkomst van verschillende soorten scholen, zoals vrije scholen. Vooral in de grote steden is sprake van een grote mate van sociaal-economische segregatie.

Bron: Een verstevigd fundament voor iedereen

Zie ook: Nederland sterkste daler van de OESO voor meer uit hetzelfde rapport

Posted by Redactie Onderwijscommunity