Een community of practice ten behoeve van passend onderwijs

Eén van de mogelijkheden om binnen het basisonderwijs op duurzame wijze vorm te geven aan Professionele Leergemeenschap (PLG) binnen het passend onderwijs is het werken aan een vraagstuk binnen een Community of Practice (CoP). Bijgevoegd onderzoek van Caroline Ermers geeft antwoord op de vraag:

‘Op welke wijze kan een CoP het vermogen van leerkrachten om in de praktijk te handelen ten behoeve van passend onderwijs verbeteren?’

De resultaten van het onderzoek vormen een advies richting Stichting Primair Onderwijs Peelraam met betrekking tot implementering van PLG’s binnen de stichting. De stichting verenigt 10 katholieke basisscholen. Denk hierbij aan adviezen gericht op het ontwerpen van PLG’s, de facilitering en de aspecten die een PLG succesvol maken in relatie met het verzorgen van passend onderwijs.

Daarnaast zijn de resultaten van het onderzoek gedeeld met het team van Basisschool de LenS, van waaruit een advies volgde gerelateerd aan de wijze waarop het vraagstuk zich binnen de CoP ontwikkeld heeft, het inzetten van elkaars kwaliteiten, welke kenmerken van collectief leren zichtbaar zijn, welke acties van de CoP- leden het collectief leren bevorderen en of er nieuw handelingsrepertoire ontwikkeld is.

Passend onderwijs in het basisonderwijs

Op 1 augustus 2014 is passend onderwijs ingevoerd in het basisonderwijs. Dit houdt in dat wanneer ouders verwachten dat hun kind extra ondersteuning nodig heeft, ze dit bij de aanmelding op de basisschool aan moeten geven. De school krijgt dan de zorgplicht. Dat betekent dat de school de taak heeft om het kind een passende onderwijsplek te bieden. De school onderzoekt eerst of ze de leerling zelf de extra onderwijsondersteuning kan bieden.

De zorgplicht houdt ook in dat een school een leerling pas mag verwijderen als een andere school bereid is gevonden deze leerling toe te laten. Zo wordt voorkomen dat een leerling tussen wal en schip valt. Het uitgangspunt bij passend onderwijs is: regulier als het kan, speciaal als het moet. Dit houdt in dat steeds meer leerlingen een plek krijgen in het reguliere onderwijs, waar ze voorheen op het speciaal onderwijs geplaatst zouden worden.

Impact op leerkrachten

Deze ontwikkeling heeft veel impact op leerkrachten. Waar ze voor de invoering van passend onderwijs al omgingen met verschillen tussen leerlingen, bijvoorbeeld tussen intelligentieniveaus en leerstijlen, wordt nu gevraagd wordt om met een nog grotere diversiteit aan vraagstukken om te gaan. Denk hierbij aan leerlingen met een visuele beperking, leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking, leerlingen met een lichamelijke beperking, leerlingen met gedragsproblematiek en leerlingen met Nederlands als tweede taal.

Om hiermee om te kunnen gaan is het van belang in beeld te hebben wat de kwaliteiten binnen het team zijn, hoe deze optimaal ingezet kunnen worden en door maximaal gebruik maken van elkaars kwaliteiten. Leren door, van en met elkaar is hierbij cruciaal.

Onderzoek basisschool de LenS

Om op duurzame wijze vorm te geven aan het onderwijs en daarmee tevens aan passend onderwijs, is in het Meerjaren Strategisch Beleidsplan van Stichting Primair Onderwijs Peelraam onder andere vastgelegd dat eigenaarschap een kernthema is en dat van de scholen verwacht wordt dat ze zich de komende vier jaar ontwikkelen tot een Professionele Leergemeenschap (PLG). Wat binnen de stichting verstaan wordt onder een PLG is vastgesteld, maar hoe het één en ander concreet invulling krijgt was ten tijde van het onderzoek nog niet geheel duidelijk, behalve dat er gewerkt gaat worden met zogenoemde kleine PLG’s. Op basisschool de LenS is in dit kader een Community of Practice (CoP) vormgegeven bij wijze van pilot, wat een mogelijke vorm van een PLG is.

Basisschool de LenS wenste in dit kader inzicht in de mogelijke invloed van een Community of Practice, aangezien literatuur aantoont dat het delen van kennis en ervaring binnen een Community of Practice leidt tot leren met elkaar. De verwachting is dat hierdoor beter met uitdagingen in de praktijk omgegaan kan worden. Het gebruik maken van krachtige eigenschappen van teamleden leidt bovendien tot een verhoging van de productiviteit van het team. In dit onderzoek is een Community of Practice geobserveerd en bevraagd.

Community of Practice

CoP’s zijn groepen mensen die hun kennis en ervaringen rond een bepaald thema of vakgebied delen en met elkaar leren om beter met de problemen en uitdagingen in de praktijk om te gaan. Mensen vormen CoP’s om uiteenlopende redenen, maar bijna altijd willen ze hun vermogen om in de praktijk te handelen verbeteren.

Het doel van een CoP is het ontwikkelen van bekwaamheden van de leden, om kennis op te bouwen en uit te wisselen. Wat de CoP-leden bindt is passie, commitment en identificatie met de expertise van de groep. Deze aspecten vormen een basis om elkaars kwaliteiten te zien en in te zetten beschrijven dat de situatie ideaal is wanneer iedereen van elkaar weet wát iedereen weet, zodat mensen met elkaar contact opnemen om kennis uit te wisselen en meer effectief te handelen.

Het is belangrijk dat in de CoP een gedeeld vraagstuk centraal staat. CoP-leden zullen naar verwachting aanvankelijk starten vanuit een persoonlijk vraagstuk, waar zij in hun eigen praktijk mee geholpen willen worden. Om succesvol te zijn is het voor een CoP belangrijk dat deze individuele vraagstukken zich ontwikkelen richting een gezamenlijk vraagstuk. Deelname aan een CoP is vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Een CoP kent een minder formeel karakter dan een (project)team en wordt  gekenmerkt door continu leren en groeien.

Binnen de CoP wordt gewerkt vanuit een problematiek die dermate complex is dat de betreffende
leerkracht(en) handelingsverlegen zijn. Het vraagstuk is van dien aard dat het voor alle CoP-leden relevant is, bijvoorbeeld omdat ze met eenzelfde problematiek te maken hebben, er graag meer over willen leren of omdat ze juist al heel veel kennis hebben op dit gebied en deze in willen zetten binnen de organisatie. Binnen de CoP wordt gebruik gemaakt van elkaars kwaliteiten en competenties.

Door het inzetten van een CoP kan in de toekomst met steeds meer verschillende problematieken omgegaan worden op schoolniveau. Er wordt dan tevens gewerkt aan een concreet resultaat, in dit geval het verzorgen van passend onderwijs aan alle leerlingen.

Ontwerpprincipes

De CoP is ontworpen volgens het kader van Wenger (door De Laat & Coenders in Kessels & Poell, 2011), waarbij het vraagstuk relevant moet zijn voor alle betrokkenen. Aan succesvolle CoP’s liggen zeven ontwerpprincipes ten grondslag (Wenger, McDermott, & Snyder, 2002):

  1. Ontwerp voor evolutie
  2. Een dialoog openen tussen binnen- en buitenperspectieven
  3. Ruimte maken voor verschillende participatieniveaus
  4. Ontwikkelen van een publieke en een besloten community-ruimte
  5. Focus hebben op waarde
  6. Combineren van vertrouwdheid met opwinding
  7. Ritme creëren voor de community

Deze principes geven aan hoe de elementen van het ontwerp van een CoP samenhangen, hetgeen helpt bij het begrijpen van het ontwerp van een CoP.

Mate van sturing

Bij het opstarten van een CoP is het belangrijk de mate van sturing goed af te wegen. Dit heeft te maken met de persoonlijkheid en de voorkeuren van mensen. Sommigen raken zonder structuur gedesoriënteerd, terwijl anderen zich bekneld voelen bij te veel structuur.

CoP’s zijn stimulerend voor collectief leren en de uitkomsten ervan zijn van waarde voor de groep. Hierbij is het belangrijk dat managers het leren in CoP’s moeten herkennen, erkennen en faciliteren. Collectief leren heeft een centrale plaats binnen een CoP en hierin zijn het leren en de kennisuitwisseling sterk verbonden met het dagelijks leren van de deelnemers.

Daarbij leveren CoP’s een actieve bijdrage aan de ontwikkeling en het onderhouden van kennis die niet alleen voor de deelnemers van de CoP van belang is, maar juist ook voor de organisaties waarvoor ze werken.

Het onderzoek

Bijgevoegd onderzoek richt zich op de vraag wat de invloed is van de CoP op het inzetten van elkaars kwaliteiten, het creëren van kennis en leren van, door en met elkaar. Worden in de CoP kennis en ervaringen rond een bepaald thema of vakgebied gedeeld en wordt er met elkaar
geleerd om beter met de problemen en uitdagingen in de praktijk om te gaan?

Daarbij richt het onderzoek zich op de mogelijke uitbreiding van het handelingsrepertoire via collectief leren. En was het doel om inzichtelijk te maken of het werken binnen een CoP een manier is om de teamleden van Basisschool de LenS elkaars kwaliteiten te laten leren kennen en de aanwezige kwaliteiten optimaal te benutten om op schoolniveau passend onderwijs te kunnen verzorgen. Om dit in beeld te brengen is de volgende hoofdvraag geformuleerd:

 

Op welke wijze kan een CoP het vermogen van leerkrachten om in de praktijk te handelen ten behoeve van passend onderwijs verbeteren?

Om deze hoofdvraag te kunnen beantwoorden worden de volgende deelvragen gesteld:

  1. Op welke wijze ontwikkelt een praktijkvraagstuk zich waaraan binnen de CoP gewerkt wordt?
  2. Welke door de CoP-leden aan elkaar toegekende kwaliteiten zijn zichtbaar in het proces van de CoP?
  3. Welke kenmerken van collectief leren zijn zichtbaar binnen de CoP en welke acties geven de CoP leden zelf aan daarvoor ingezet te hebben?
  4. Welke nieuwe handelswijzen voor de praktijk zijn er naar aanleiding van het proces in de CoP ontwikkeld?

Uitkomsten

Het onderzoek leverde de volgende uitkomsten op:

  • Het praktijkvraagstuk lijkt een ontwikkeling doorgemaakt te hebben en bij gezamenlijke vraagstukken wordt beter gekeken naar de aspecten waarop invloed uitgeoefend kan worden;
  • alle kwaliteiten die de CoP-leden elkaar toegekend hebben zijn zichtbaar in het proces. Wanneer CoP-leden zich bewust zijn van hun eigen en de andere aanwezige kwaliteiten, laten ze deze vaker tot uiting komen en worden deze ingezet door andere CoP-leden;
  • door binnen de CoP het gesprek aan te gaan over de aanwezige leervoorkeuren, en hoe deze elkaar al dan niet versterken, kunnen de zichtbare kwaliteiten nog bewuster ingezet worden binnen een CoP;
  • collectief leren heeft een centrale plaats binnen de CoP;
  • er is sprake van collectieve uitkomsten;
  • de CoP heeft binnen het proces werkwijzen ontworpen die aansluiten bij het vraagstuk. De focus heeft nog niet gelegen bij het verspreiden van deze werkwijzen;
  • het gezamenlijk vraagstuk waaraan binnen de CoP gewerkt is, is voor alle CoP-leden relevant en het vermogen om met het vraagstuk gerelateerd aan passend onderwijs om te gaan in de praktijk is verbeterd.

Aanbevelingen

Middelen

  • Facilitering in tijd is van groot belang. Tijd is immers noodzakelijk om complexe materie eigen te maken;
  • zorg voor communicatiemogelijkheden en -middelen tussen de verschillende praktijken en organisatieonderdelen, met als doel actie te genereren en discontinuïteit op te heffen;
  • voor een CoP is het creëren van ritme belangrijk. Wanneer het tempo te laag is gebeurt er niets, terwijl bij een te hoog tempo de CoP spreekwoordelijk buiten adem raakt en de teamleden afhaken.

Communitymanagement

  • Het is van belang dat een ervaren facilitator – of communitymanager – randzaken faciliteert en tevens ruimte biedt aan het zelfsturende karakter van de CoP;
  • zorg voor verbinding tussen CoP en organisatie en slecht eventuele grenzen tussen CoP en teams;
  • deel de collectieve uitkomsten van de CoP binnen de organisatie; De facilitator kan in dit kader de rol van ‘boundary crosser’ vervullen. Dit is bij voorkeur een persoon die in meerdere praktijken participeert;
  • blijf volgen of de binnen de CoP gemaakte afspraken nagekomen en de ontwikkelde handelswijzen ingezet worden. Op deze manier kan het nieuwe handelingsrepertoire geïmplementeerd worden binnen de school en kunnen de individuele kwaliteiten ingezet worden binnen de organisatie
    in het kader van passend onderwijs.

Vervolg

Onder andere naar aanleiding van dit onderzoek zag Caroline dat organisaties moeite hebben met het invullen van de rol van de community-manager. In dit kader is ze haar eigen bedrijf COLlabb gestart, waarbij ze optreedt als facilitator en/of onderzoeker. De laatste rol omdat de praktijk haar geleerd heeft dat door het doen van (mini)onderzoek, organisaties vaak in een innoverende ‘flow’ terechtkomen.

Onder de titel ‘Van klein experiment naar grootschalige beweging’ vindt ook vervolgonderzoek plaats. Geinteresseerd in meer informatie of wellicht zelfs deelname? Bekijk dan deze leaflet.

 


Lees meer

 

Het gehele verslag van het master-examen van Caroline Ermers uit 2017 vind je hier

Ook dit rapport over co-creatie en innovatie in een Community of Practice in het Onderwijs is bijzonder lezenswaardig.

Posted by Caroline Ermers